KETUVIM

Psalmen 85

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֬חַ לִ/בְנֵי קֹ֬רַח מִזְמֽוֹר
STATEN

Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

2
שְׁבִ֣ית רָצִ֣יתָ יְהוָ֣ה אַרְצֶ֑/ךָ שַׁ֝֗בְתָּ שבות יַעֲקֹֽב
STATEN

Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.

3
נָ֭שָׂאתָ עֲוֺ֣ן עַמֶּ֑/ךָ כִּסִּ֖יתָ כָל חַטָּאתָ֣/ם סֶֽלָה
STATEN

De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.

4
אָסַ֥פְתָּ כָל עֶבְרָתֶ֑/ךָ הֱ֝שִׁיב֗וֹתָ מֵ/חֲר֥וֹן אַפֶּֽ/ךָ
STATEN

Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns.

5
שׁ֭וּבֵ/נוּ אֱלֹהֵ֣י יִשְׁעֵ֑/נוּ וְ/הָפֵ֖ר כַּֽעַסְ/ךָ֣ עִמָּֽ/נוּ
STATEN

Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.

6
הַ/לְ/עוֹלָ֥ם תֶּֽאֱנַף בָּ֑/נוּ תִּמְשֹׁ֥ךְ אַ֝פְּ/ךָ֗ לְ/דֹ֣ר וָ/דֹֽר
STATEN

Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?

7
הֲֽ/לֹא אַ֭תָּה תָּשׁ֣וּב תְּחַיֵּ֑/נוּ וְ֝/עַמְּ/ךָ֗ יִשְׂמְחוּ בָֽ/ךְ
STATEN

Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?

8
הַרְאֵ֣/נוּ יְהוָ֣ה חַסְדֶּ֑/ךָ וְ֝/יֶשְׁעֲ/ךָ֗ תִּתֶּן לָֽ/נוּ
STATEN

Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil.

9
אֶשְׁמְעָ֗ה מַה יְדַבֵּר֮ הָ/אֵ֪ל יְה֫וָ֥ה כִּ֤י יְדַבֵּ֬ר שָׁל֗וֹם אֶל עַמּ֥/וֹ וְ/אֶל חֲסִידָ֑י/ו וְֽ/אַל יָשׁ֥וּבוּ לְ/כִסְלָֽה
STATEN

Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren.

10
אַ֤ךְ קָר֣וֹב לִ/ירֵאָ֣י/ו יִשְׁע֑/וֹ לִ/שְׁכֹּ֖ן כָּב֣וֹד בְּ/אַרְצֵֽ/נוּ
STATEN

Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone.

11
חֶֽסֶד וֶ/אֱמֶ֥ת נִפְגָּ֑שׁוּ צֶ֖דֶק וְ/שָׁל֣וֹם נָשָֽׁקוּ
STATEN

De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen.

12
אֱ֭מֶת מֵ/אֶ֣רֶץ תִּצְמָ֑ח וְ֝/צֶ֗דֶק מִ/שָּׁמַ֥יִם נִשְׁקָֽף
STATEN

De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien.

13
גַּם יְ֭הוָה יִתֵּ֣ן הַ/טּ֑וֹב וְ֝/אַרְצֵ֗/נוּ תִּתֵּ֥ן יְבוּלָֽ/הּ
STATEN

Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven.

14
צֶ֭דֶק לְ/פָנָ֣י/ו יְהַלֵּ֑ךְ וְ/יָשֵׂ֖ם לְ/דֶ֣רֶךְ פְּעָמָֽי/ו
STATEN

De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen.