KETUVIM

Psalmen 86

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
תְּפִלָּ֗ה לְ/דָ֫וִ֥ד הַטֵּֽה יְהוָ֣ה אָזְנְ/ךָ֣ עֲנֵ֑/נִי כִּֽי עָנִ֖י וְ/אֶבְי֣וֹן אָֽנִי
STATEN

Een gebed van David. HEERE! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig.

2
שָֽׁמְרָ֣/ה נַפְשִׁ/י֮ כִּֽי חָסִ֪יד אָ֥נִי הוֹשַׁ֣ע עַ֭בְדְּ/ךָ אַתָּ֣ה אֱלֹהַ֑/י הַ/בּוֹטֵ֥חַ אֵלֶֽי/ךָ
STATEN

Bewaar mijn ziel, want ik ben Uw gunstgenoot, o Gij, mijn God! verlos Uw knecht die op U betrouwt.

3
חָנֵּ֥/נִי אֲדֹנָ֑/י כִּ֥י אֵלֶ֥י/ךָ אֶ֝קְרָ֗א כָּל הַ/יּֽוֹם
STATEN

Zijt mij genadig, HEERE! want ik roep tot U den gansen dag.

4
שַׂ֭מֵּחַ נֶ֣פֶשׁ עַבְדֶּ֑/ךָ כִּ֥י אֵלֶ֥י/ךָ אֲ֝דֹנָ֗/י נַפְשִׁ֥/י אֶשָּֽׂא
STATEN

Verheug de ziel Uws knechts; want tot U, Heere! verhef ik mijn ziel.

5
כִּֽי אַתָּ֣ה אֲ֭דֹנָ/י ט֣וֹב וְ/סַלָּ֑ח וְ/רַב חֶ֝֗סֶד לְ/כָל קֹרְאֶֽי/ךָ
STATEN

Want Gij, HEERE! zijt goed, en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen.

6
הַאֲזִ֣ינָ/ה יְ֭הוָה תְּפִלָּתִ֑/י וְ֝/הַקְשִׁ֗יבָ/ה בְּ/ק֣וֹל תַּחֲנוּנוֹתָֽ/י
STATEN

HEERE! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem mijner smekingen.

7
בְּ/י֣וֹם צָ֭רָתִ֥/י אֶקְרָאֶ֗/ךָּ כִּ֣י תַעֲנֵֽ/נִי
STATEN

In den dag mijner benauwdheid roep ik U aan, want Gij verhoort mij.

8
אֵין כָּמ֖וֹ/ךָ בָ/אֱלֹהִ֥ים אֲדֹנָ֗/י וְ/אֵ֣ין כְּֽ/מַעֲשֶֽׂי/ךָ
STATEN

Onder de goden is niemand U gelijk, Heere! en er zijn geen gelijk Uw werken.

9
כָּל גּוֹיִ֤ם אֲשֶׁ֥ר עָשִׂ֗יתָ יָב֤וֹאוּ וְ/יִשְׁתַּחֲו֣וּ לְ/פָנֶ֣י/ךָ אֲדֹנָ֑/י וִֽ/יכַבְּד֣וּ לִ/שְׁמֶֽ/ךָ
STATEN

Al de heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren.

10
כִּֽי גָד֣וֹל אַ֭תָּה וְ/עֹשֵׂ֣ה נִפְלָא֑וֹת אַתָּ֖ה אֱלֹהִ֣ים לְ/בַדֶּֽ/ךָ
STATEN

Want Gij zijt groot, en doet wonderwerken; Gij alleen zijt God.

11
ה֘וֹרֵ֤/נִי יְהוָ֨ה דַּרְכֶּ֗/ךָ אֲהַלֵּ֥ךְ בַּ/אֲמִתֶּ֑/ךָ יַחֵ֥ד לְ֝בָבִ֗/י לְ/יִרְאָ֥ה שְׁמֶֽ/ךָ
STATEN

Leer mij, HEERE! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.

12
אוֹדְ/ךָ֤ אֲדֹנָ֣/י אֱ֭לֹהַ/י בְּ/כָל לְבָבִ֑/י וַ/אֲכַבְּדָ֖ה שִׁמְ/ךָ֣ לְ/עוֹלָֽם
STATEN

Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;

13
כִּֽי חַ֭סְדְּ/ךָ גָּד֣וֹל עָלָ֑/י וְ/הִצַּ֥לְתָּ נַ֝פְשִׁ֗/י מִ/שְּׁא֥וֹל תַּחְתִּיָּֽה
STATEN

Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt.

14
אֱלֹהִ֤ים זֵ֘דִ֤ים קָֽמוּ עָלַ֗/י וַ/עֲדַ֣ת עָ֭רִיצִים בִּקְשׁ֣וּ נַפְשִׁ֑/י וְ/לֹ֖א שָׂמ֣וּ/ךָ לְ/נֶגְדָּֽ/ם
STATEN

O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.

15
וְ/אַתָּ֣ה אֲ֭דֹנָ/י אֵל רַח֣וּם וְ/חַנּ֑וּן אֶ֥רֶךְ אַ֝פַּ֗יִם וְ/רַב חֶ֥סֶד וֶ/אֱמֶֽת
STATEN

Maar Gij, Heere! zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid.

16
פְּנֵ֥ה אֵלַ֗/י וְ/חָ֫נֵּ֥/נִי תְּנָֽ/ה עֻזְּ/ךָ֥ לְ/עַבְדֶּ֑/ךָ וְ֝/הוֹשִׁ֗יעָ/ה לְ/בֶן אֲמָתֶֽ/ךָ
STATEN

Wend U tot mij, en zijt mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos den zoon Uwer dienstmaagd.

17
עֲשֵֽׂה עִמִּ֥/י א֗וֹת לְ/ט֫וֹבָ֥ה וְ/יִרְא֣וּ שֹׂנְאַ֣/י וְ/יֵבֹ֑שׁוּ כִּֽי אַתָּ֥ה יְ֝הוָ֗ה עֲזַרְתַּ֥/נִי וְ/נִחַמְתָּֽ/נִי
STATEN

Doe aan mij een teken ten goede, opdat het mijn haters zien, en beschaamd worden, als Gij, HEERE! mij geholpen, en mij getroost zult hebben.