KETUVIM

Psalmen 88

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
שִׁ֥יר מִזְמ֗וֹר לִ/בְנֵ֫י קֹ֥רַח לַ/מְנַצֵּ֣חַ עַל מָחֲלַ֣ת לְ/עַנּ֑וֹת מַ֝שְׂכִּ֗יל לְ/הֵימָ֥ן הָ/אֶזְרָחִֽי
STATEN

Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor den opperzangmeester, op Máchalath Leánnôth; een onderwijzing van Heman, den Ezrahiet.

2
יְ֭הוָה אֱלֹהֵ֣י יְשׁוּעָתִ֑/י יוֹם צָעַ֖קְתִּי בַ/לַּ֣יְלָה נֶגְדֶּֽ/ךָ
STATEN

O HEERE, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U.

3
תָּב֣וֹא לְ֭/פָנֶי/ךָ תְּפִלָּתִ֑/י הַטֵּֽה אָ֝זְנְ/ךָ֗ לְ/רִנָּתִֽ/י
STATEN

Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei.

4
כִּֽי שָֽׂבְעָ֣ה בְ/רָע֣וֹת נַפְשִׁ֑/י וְ/חַיַּ֗/י לִ/שְׁא֥וֹל הִגִּֽיעוּ
STATEN

Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf.

5
נֶ֭חְשַׁבְתִּי עִם י֣וֹרְדֵי ב֑וֹר הָ֝יִ֗יתִי כְּ/גֶ֣בֶר אֵֽין אֱיָֽל
STATEN

Ik ben gerekend met degenen, die in den kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;

6
בַּ/מֵּתִ֗ים חָ֫פְשִׁ֥י כְּמ֤וֹ חֲלָלִ֨ים שֹׁ֥כְבֵי קֶ֗בֶר אֲשֶׁ֤ר לֹ֣א זְכַרְתָּ֣/ם ע֑וֹד וְ֝/הֵ֗מָּה מִ/יָּדְ/ךָ֥ נִגְזָֽרוּ
STATEN

Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.

7
שַׁ֭תַּ/נִי בְּ/ב֣וֹר תַּחְתִּיּ֑וֹת בְּ֝/מַחֲשַׁכִּ֗ים בִּ/מְצֹלֽוֹת
STATEN

Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.

8
עָ֭לַ/י סָמְכָ֣ה חֲמָתֶ֑/ךָ וְ/כָל מִ֝שְׁבָּרֶ֗י/ךָ עִנִּ֥יתָ סֶּֽלָה
STATEN

Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela.

9
הִרְחַ֥קְתָּ מְיֻדָּעַ֗/י מִ֫מֶּ֥/נִּי שַׁתַּ֣/נִי תוֹעֵב֣וֹת לָ֑/מוֹ כָּ֝לֻ֗א וְ/לֹ֣א אֵצֵֽא
STATEN

Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.

10
עֵינִ֥/י דָאֲבָ֗ה מִנִּ֫י עֹ֥נִי קְרָאתִ֣י/ךָ יְהוָ֣ה בְּ/כָל י֑וֹם שִׁטַּ֖חְתִּי אֵלֶ֣י/ךָ כַפָּֽ/י
STATEN

Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U.

11
הֲ/לַ/מֵּתִ֥ים תַּעֲשֶׂה פֶּ֑לֶא אִם רְ֝פָאִ֗ים יָק֤וּמוּ יוֹד֬וּ/ךָ סֶּֽלָה
STATEN

Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela.

12
הַ/יְסֻפַּ֣ר בַּ/קֶּ֣בֶר חַסְדֶּ֑/ךָ אֱ֝מֽוּנָתְ/ךָ֗ בָּ/אֲבַדּֽוֹן
STATEN

Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf?

13
הֲ/יִוָּדַ֣ע בַּ/חֹ֣שֶׁךְ פִּלְאֶ֑/ךָ וְ֝/צִדְקָתְ/ךָ֗ בְּ/אֶ֣רֶץ נְשִׁיָּֽה
STATEN

Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?

14
וַ/אֲנִ֤י אֵלֶ֣י/ךָ יְהוָ֣ה שִׁוַּ֑עְתִּי וּ֝/בַ/בֹּ֗קֶר תְּֽפִלָּתִ֥/י תְקַדְּמֶֽ/ךָּ
STATEN

Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.

15
לָ/מָ֣ה יְ֭הוָה תִּזְנַ֣ח נַפְשִׁ֑/י תַּסְתִּ֖יר פָּנֶ֣י/ךָ מִמֶּֽ/נִּי
STATEN

HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij?

16
עָ֘נִ֤י אֲנִ֣י וְ/גֹוֵ֣עַ מִ/נֹּ֑עַר נָשָׂ֖אתִי אֵמֶ֣י/ךָ אָפֽוּנָה
STATEN

Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.

17
עָ֭לַ/י עָבְר֣וּ חֲרוֹנֶ֑י/ךָ בִּ֝עוּתֶ֗י/ךָ צִמְּתוּתֻֽ/נִי
STATEN

Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.

18
סַבּ֣וּ/נִי כַ֭/מַּיִם כָּל הַ/יּ֑וֹם הִקִּ֖יפוּ עָלַ֣/י יָֽחַד
STATEN

Den gansen dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij.

19
הִרְחַ֣קְתָּ מִ֭מֶּ/נִּי אֹהֵ֣ב וָ/רֵ֑עַ מְֽיֻדָּעַ֥/י מַחְשָֽׁךְ
STATEN

Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis.