KETUVIM

Psalmen 92

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
מִזְמ֥וֹר שִׁ֗יר לְ/י֣וֹם הַ/שַּׁבָּֽת
STATEN

Een psalm, een lied, op den sabbatdag.

2
ט֗וֹב לְ/הֹד֥וֹת לַ/יהוָ֑ה וּ/לְ/זַמֵּ֖ר לְ/שִׁמְ/ךָ֣ עֶלְיֽוֹן
STATEN

Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!

3
לְ/הַגִּ֣יד בַּ/בֹּ֣קֶר חַסְֽדֶּ֑/ךָ וֶ֝/אֱמֽוּנָתְ/ךָ֗ בַּ/לֵּילֽוֹת
STATEN

Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;

4
עֲֽלֵי עָ֭שׂוֹר וַ/עֲלֵי נָ֑בֶל עֲלֵ֖י הִגָּי֣וֹן בְּ/כִנּֽוֹר
STATEN

Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.

5
כִּ֤י שִׂמַּחְתַּ֣/נִי יְהוָ֣ה בְּ/פָעֳלֶ֑/ךָ בְּֽ/מַעֲשֵׂ֖י יָדֶ֣י/ךָ אֲרַנֵּֽן
STATEN

Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.

6
מַה גָּדְל֣וּ מַעֲשֶׂ֣י/ךָ יְהוָ֑ה מְ֝אֹ֗ד עָמְק֥וּ מַחְשְׁבֹתֶֽי/ךָ
STATEN

O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.

7
אִֽישׁ בַּ֭עַר לֹ֣א יֵדָ֑ע וּ֝/כְסִ֗יל לֹא יָבִ֥ין אֶת זֹֽאת
STATEN

Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;

8
בִּ/פְרֹ֤חַ רְשָׁעִ֨ים כְּמ֥וֹ עֵ֗שֶׂב וַ֭/יָּצִיצוּ כָּל פֹּ֣עֲלֵי אָ֑וֶן לְ/הִשָּֽׁמְדָ֥/ם עֲדֵי עַֽד
STATEN

Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.

9
וְ/אַתָּ֥ה מָר֗וֹם לְ/עֹלָ֥ם יְהוָֽה
STATEN

Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE!

10
כִּ֤י הִנֵּ֪ה אֹיְבֶ֡י/ךָ יְֽהוָ֗ה כִּֽי הִנֵּ֣ה אֹיְבֶ֣י/ךָ יֹאבֵ֑דוּ יִ֝תְפָּרְד֗וּ כָּל פֹּ֥עֲלֵי אָֽוֶן
STATEN

Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.

11
וַ/תָּ֣רֶם כִּ/רְאֵ֣ים קַרְנִ֑/י בַּ֝לֹּתִ֗י בְּ/שֶׁ֣מֶן רַעֲנָֽן
STATEN

Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.

12
וַ/תַּבֵּ֥ט עֵינִ֗/י בְּ/שׁ֫וּרָ֥/י בַּ/קָּמִ֖ים עָלַ֥/י מְרֵעִ֗ים תִּשְׁמַ֥עְנָה אָזְנָֽ/י
STATEN

En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.

13
צַ֭דִּיק כַּ/תָּמָ֣ר יִפְרָ֑ח כְּ/אֶ֖רֶז בַּ/לְּבָנ֣וֹן יִשְׂגֶּֽה
STATEN

De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon.

14
שְׁ֭תוּלִים בְּ/בֵ֣ית יְהוָ֑ה בְּ/חַצְר֖וֹת אֱלֹהֵ֣י/נוּ יַפְרִֽיחוּ
STATEN

Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.

15
ע֭וֹד יְנוּב֣וּ/ן בְּ/שֵׂיבָ֑ה דְּשֵׁנִ֖ים וְ/רַֽעֲנַנִּ֣ים יִהְיֽוּ
STATEN

In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn,

16
עַוְלָ֥תָ/ה לְ֭/הַגִּיד כִּֽי יָשָׁ֣ר יְהוָ֑ה צ֝וּרִ֗/י וְֽ/לֹא עלת/ה בּֽ/וֹ
STATEN

Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.