KETUVIM
Psalmen 92
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
מִזְמ֥וֹר שִׁ֗יר לְ/י֣וֹם הַ/שַּׁבָּֽת׃
STATEN
Een psalm, een lied, op den sabbatdag.
ט֗וֹב לְ/הֹד֥וֹת לַ/יהוָ֑ה וּ/לְ/זַמֵּ֖ר לְ/שִׁמְ/ךָ֣ עֶלְיֽוֹן׃
STATEN
Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!
לְ/הַגִּ֣יד בַּ/בֹּ֣קֶר חַסְֽדֶּ֑/ךָ וֶ֝/אֱמֽוּנָתְ/ךָ֗ בַּ/לֵּילֽוֹת׃
STATEN
Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;
עֲֽלֵי עָ֭שׂוֹר וַ/עֲלֵי נָ֑בֶל עֲלֵ֖י הִגָּי֣וֹן בְּ/כִנּֽוֹר־־׃
STATEN
Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.
כִּ֤י שִׂמַּחְתַּ֣/נִי יְהוָ֣ה בְּ/פָעֳלֶ֑/ךָ בְּֽ/מַעֲשֵׂ֖י יָדֶ֣י/ךָ אֲרַנֵּֽן׃
STATEN
Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.
מַה גָּדְל֣וּ מַעֲשֶׂ֣י/ךָ יְהוָ֑ה מְ֝אֹ֗ד עָמְק֥וּ מַחְשְׁבֹתֶֽי/ךָ־׃
STATEN
O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
אִֽישׁ בַּ֭עַר לֹ֣א יֵדָ֑ע וּ֝/כְסִ֗יל לֹא יָבִ֥ין אֶת זֹֽאת־־־׃
STATEN
Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;
בִּ/פְרֹ֤חַ רְשָׁעִ֨ים כְּמ֥וֹ עֵ֗שֶׂב וַ֭/יָּצִיצוּ כָּל פֹּ֣עֲלֵי אָ֑וֶן לְ/הִשָּֽׁמְדָ֥/ם עֲדֵי עַֽד׀־־׃
STATEN
Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.
וְ/אַתָּ֥ה מָר֗וֹם לְ/עֹלָ֥ם יְהוָֽה׃
STATEN
Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE!
כִּ֤י הִנֵּ֪ה אֹיְבֶ֡י/ךָ יְֽהוָ֗ה כִּֽי הִנֵּ֣ה אֹיְבֶ֣י/ךָ יֹאבֵ֑דוּ יִ֝תְפָּרְד֗וּ כָּל פֹּ֥עֲלֵי אָֽוֶן׀־־׃
STATEN
Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.
וַ/תָּ֣רֶם כִּ/רְאֵ֣ים קַרְנִ֑/י בַּ֝לֹּתִ֗י בְּ/שֶׁ֣מֶן רַעֲנָֽן׃
STATEN
Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.
וַ/תַּבֵּ֥ט עֵינִ֗/י בְּ/שׁ֫וּרָ֥/י בַּ/קָּמִ֖ים עָלַ֥/י מְרֵעִ֗ים תִּשְׁמַ֥עְנָה אָזְנָֽ/י׃
STATEN
En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.