KETUVIM

Psalmen 95

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לְ֭כוּ נְרַנְּנָ֣ה לַ/יהוָ֑ה נָ֝רִ֗יעָה לְ/צ֣וּר יִשְׁעֵֽ/נוּ
STATEN

Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.

2
נְקַדְּמָ֣ה פָנָ֣י/ו בְּ/תוֹדָ֑ה בִּ֝/זְמִר֗וֹת נָרִ֥יעַֽ לֽ/וֹ
STATEN

Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.

3
כִּ֤י אֵ֣ל גָּד֣וֹל יְהוָ֑ה וּ/מֶ֥לֶךְ גָּ֝ד֗וֹל עַל כָּל אֱלֹהִֽים
STATEN

Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;

4
אֲשֶׁ֣ר בְּ֭/יָד/וֹ מֶחְקְרֵי אָ֑רֶץ וְ/תוֹעֲפ֖וֹת הָרִ֣ים לֽ/וֹ
STATEN

In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;

5
אֲשֶׁר ל֣/וֹ הַ֭/יָּם וְ/ה֣וּא עָשָׂ֑/הוּ וְ֝/יַבֶּ֗שֶׁת יָדָ֥י/ו יָצָֽרוּ
STATEN

Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.

6
בֹּ֭אוּ נִשְׁתַּחֲוֶ֣ה וְ/נִכְרָ֑עָה נִ֝בְרְכָ֗ה לִֽ/פְנֵי יְהוָ֥ה עֹשֵֽׂ/נוּ
STATEN

Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.

7
כִּ֘י ה֤וּא אֱלֹהֵ֗י/נוּ וַ/אֲנַ֤חְנוּ עַ֣ם מַ֭רְעִית/וֹ וְ/צֹ֣אן יָד֑/וֹ הַ֝/יּ֗וֹם אִֽם בְּ/קֹל֥/וֹ תִשְׁמָֽעוּ
STATEN

Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,

8
אַל תַּקְשׁ֣וּ לְ֭בַבְ/כֶם כִּ/מְרִיבָ֑ה כְּ/י֥וֹם מַ֝סָּ֗ה בַּ/מִּדְבָּֽר
STATEN

Verhardt uw hart niet, gelijk te Meríba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn;

9
אֲשֶׁ֣ר נִ֭סּוּ/נִי אֲבוֹתֵי/כֶ֑ם בְּ֝חָנ֗וּ/נִי גַּם רָא֥וּ פָעֳלִֽ/י
STATEN

Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.

10
אַרְבָּ֘עִ֤ים שָׁנָ֨ה אָ֘ק֤וּט בְּ/ד֗וֹר וָ/אֹמַ֗ר עַ֤ם תֹּעֵ֣י לֵבָ֣ב הֵ֑ם וְ֝/הֵ֗ם לֹא יָדְע֥וּ דְרָכָֽ/י
STATEN

Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.

11
אֲשֶׁר נִשְׁבַּ֥עְתִּי בְ/אַפִּ֑/י אִם יְ֝בֹא֗וּ/ן אֶל מְנוּחָתִֽ/י
STATEN

Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!